Sequoia

Momenteel werk ik aan een roman over Bastien, rocker op leeftijd, die zijn wereldberoemde sixtiesband Sequoia nog éénmaal bijeen wil trommelen voor een wervelende reünie. Maar net als toen is een band een organisme dat zich niet zomaar laat sturen, zeker als naast de oude wrijvingen ook nieuwe stoorzenders de kop opsteken…

fragment

Jeroen draait zich om. De zolder is niet meer akelig, eerder geruststellend, als zijn jongenskamertje vroeger op de Newtonstraat. Grappig dat hij in Bastiens huis is. Ook nu neemt Bas weer het voortouw. En ook nu weer maakt die regeldrift hem niet altijd gezelliger.

1972. Een zonnige dag in Madison, Wisconsin. Hun privéterras bij het poepchique hotel. Hij en Bastien, de voeten op tafel, elk een fles gin in de hand, allebei laat opgestaan, allebei ongeschoren. Een gevoel van ongekende vrijheid, want Freek is drie dagen weg. Yves en Ranjan zijn gaan zwemmen, Jef slaapt nog. Ontsnapte schooljongens.

‘Wat het is met Jef,’ begint Bastien en houdt meteen weer zijn mond. Jeroen sluit zijn ogen, laat zijn hoofd langzaam afdrijven op de golven zonnewarmte. Het ruikt zoet naar kamperfoelie, twee spelende kleine meisjes lachen achter het hek. ‘Jef is altijd een beetje mijn maat geweest,’ doorbreekt Bastien de stilte weer. ‘Maar ik kan steeds minder op hem bouwen.’ Dat is waar. Jef verschijnt niet op repetities en, erger, op concerten. Jeroen ziet Bastien weer driftig op weg om Jef in allerijl en in een staat van totale wazigheid van zijn hotelkamer te plukken, een half uur nadat het concert had moeten beginnen. Freek brult en dreigt na zo’n show, maar Bastien is degene die altijd weer de zaak moet redden. ‘Als ik Jef zie optreden tegenwoordig… slingerend tegen de microfoonstandaard… hoe hij obscene teksten het publiek in brult…’

Jeroen lacht stil, de oogleden gekoesterd door de zon. Die obscene teksten zijn eigenlijk best wel te gek. Jef is in elk geval meer ontspannen en minder pusherig dan vroeger. En het publiek waardeert het ook. Maar dat Bastien dat moeilijk vindt, snapt hij uitstekend.

‘Hij stort halverwege het concert in op het podium.’ Dat is inderdaad minder te gek. ‘En hij was nog zo geschokt door de dood van Jim…’ ‘Ik ook,’ zegt Jeroen meteen. Jim Morrison, de even energieke als enigmatische zanger van the Doors en één van hun voorbeelden, is het voorafgaande jaar aan drugs gestorven in een Parijse badkuip. ‘Ja, jij ook,’ stemt Bastien in, ‘maar jij functioneert nog. Jef walgde van de dood van Jim maar als hij zo doorgaat…’

‘Jim en ik,’ schalt een rauwe stem ergens boven hen. Jeroens ogen zijn direct wijd open. Ontkleurd in het felle daglicht zit Bastien kaarsrecht tegenover hem en staart met een blik vol ontzetting omhoog naar het balkon van de eerste etage. Daar staat Jef, gehuld in alleen zijn lange leren jas, met een fles rum in de hand. ‘Jim en ik,’ herhaalt Jef, nu zachtjes, de jas om zich heentrekkend, en kijkt rond alsof hij iets zoekt. Met onvermoede handigheid staat hij ineens op de balkonrand. Zijn zachtjes wiegelende evenwicht is steviger dan het lijkt. Zijn blote lijf puilt uit zijn jas; zijn levensstijl begint hem al een buikje op te leveren. Met spottende ogen kijkt hij op hen neer. Langzaam heft hij de fles boven zijn hoofd en giet de stroperige rum in zijn haar.