Geen Terugweg

Thriller die ik schreef in mijn vroege studententijd. Ligt sinds meer dan 15 jaar in de kast, 90% voltooid. Herlas hem laatst met rode oren, al moet er wel een en ander aan bijgewerkt. Lees hier de proloog.

Proloog

De eerste stappen die de man in de tunnel zette, riepen een echo op als het gerommel van een onderaardse trein. De andere kant was niet ver: de witberijpte wereld lokte, dreigde. Hij huiverde terwijl hij mechanisch de ene voet voor de andere dwong. Als op zoek naar een uitweg keek hij opzij naar de betonnen wanden; maar die boden geen kans, het was vóór- of achteruit… en hij kon niet terug… De tanden op elkaar stapte hij door, keek in het plotselinge blauwgrijze licht, knipperde…

***

‘Het regenwoud is zo immens,’ zei het meisje, behendig de ene blote bruine voet voor de andere plaatsend over de hangbrug tussen de lianen. ‘Wie erin is komt er niet uit. Klaar.’
Hij knikte quasi-onverschillig en ging onwillekeurig sneller lopen om bij haar te blijven. Zij liep ook sneller maar hij haalde haar in, pakte haar arm. Beneden hen stoomde een waterval en het gekrijs van een roodoranje vogel klonk guitig als de vonk in haar ogen.
‘Wat?’ Haar accent was erg lief en hij sloeg een arm om haar middel en kuste haar.

Toen hij weer opkeek waren de lianen overal, hij zag de weg niet meer en gaf een schreeuw – verschrikt keek ze naar hem op – het zweet op zijn voorhoofd was niet alleen van de hitte toen hij verbijsterd, radeloos om zich heen keek – zag toen plotseling de brug weer en viel met een diepe zucht van opluchting tegen haar aan.

‘Godzijdank,’ prevelde hij, en toen hij de oplettende, vragende blik in haar zachte ogen zag voegde hij toe: ‘Wie erin is komt er niet uit.’
Ze knikte en zei: ‘Nu ben ik bij jou, maar jij mag hier nooit alleen heen gaan.’
Hij drukte haar tegen zich aan, wilde haar nooit meer loslaten, wilde met haar eigenlijk buiten dit woud zijn – maar het kleine beetje fatalisme in zijn karakter vertelde hem nu al dat hij toch hier in het woud zou komen, alleen, zou verdwalen…

***

Het begon allemaal op een vergadering, hoewel er toen eigenlijk al iets vooraf gegaan was… want de vier aanwezigen, drie mannen en een vrouw, bespraken de resultaten van gebeurtenissen, in gang gezet door hun vorige ontmoeting. De ruimte was klein, een vergaderzaaltje, een rookwaas, een verlepte palmboom, de glans van brillenglazen en van ideeën op fotokopie.

De jongeman met het gekreukte overhemd veegde langs zijn bovenlip, schonk koffie in, deed laconiek, zei toen opeens: ‘Goed, hij is er dus niet.’
‘Nog niet,’ zei de man met de hoge wenkbrauwen en het chaotisch-vrolijke uiterlijk.
‘Niet,’ sloot het Overhemd kort.
Het meisje met het steile asblonde haar knikte en blies de rook langs haar lippen.
‘Wanneer is hij precies weggegaan?’ vroeg de Wenkbrauw.
‘Op de derde dag na onze vorige bespreking. Maar hij had eergisteren hier zullen zijn.’
De derde man schoof zijn stoel nader. ‘Zoiets kun je toch nooit precies vaststellen in zo’n situatie.’ De woorden zweefden van zijn trage lippen, zijn ogen leken zo vaag  dat niemand de helderheid van zijn geest kon bevroeden.

Het Overhemd keek vernietigend. ‘Feit is feit,’ sprak hij nadrukkelijk, ‘niet is niet. Eén en één is twee, maar niet andersom. Noodplan treedt in werking. Bezwaren?’
De ogen van de Vage flitsten even op, maar hij zei niets.
De Wenkbrauw leek iets te willen vragen, haalde toen zijn schouders op.
Het Meisje knikte, sloot even haar grijsblauwe ogen, keek toen staalhard voor zich uit. Een plotselinge revolver in de hand zou haar niet misstaan hebben.
‘Goed,’ zei het Overhemd, ‘actie.’ Hij hamerde het punt af met zijn voorzittershamer en liep de deur uit.

***

‘Er is weer een parkietje dood,’ waarschuwde de schrijver. Zijn vrouw kwam van boven en uitte medelijdende kreten. De regen ruiste tegen het raam. De thee was geurig. Er gebeurde niets en het betekende ook niets. Niets, niets. Schichtig keek hij zijn vrouw na, spiedde om zich heen. Wanneer? Wie erin is komt er niet uit… Hij sloot zijn ogen tegen een opkomende duizeling, ging zitten en schreef op:
De eerste stappen die de man…
Verbluft keek hij, keek, schudde toen zijn hoofd. ‘Eén en één is twee, maar niet andersom,’ mompelde hij. ‘Er is geen terugweg. Ik ga het opschrijven.’